Op maandag 2 februari verzamelde de Antwerpse Coalitie voor Palestina op het Operaplein. In de winterkou klonk een boodschap die al weken scherp blijft: Antwerpen moet volgens de actievoerders alle diplomatieke en economische banden met Israël verbreken, en werk maken van sancties.
“Bestand” op papier, geweld op de grond
Hoewel er internationaal over een bestand wordt gesproken, benadrukte de Coalitie dat de realiteit voor de Palestijnen nauwelijks verandert. Integendeel, volgens de sprekers is het geweld de voorbije dagen en weken geëscaleerd en blijft het aantal burgerslachtoffers stijgen. Die spanning tussen diplomatieke woorden en brutale feiten werd de rode draad van de bijeenkomst. Tussen slogans en gezangen door werd ook verwezen naar het oplopende dodental. “Het zijn er veel meer dan de 70.000 slachtoffers,” klonk het in de menigte, terwijl de actie het ritme van de wekelijkse maandagafspraak aanhield.
Drie minuten stilte, één wereldwijde lijn
Een van de meest geladen momenten kwam niet met geroep, maar met stilte. Drie minuten lang stonden de aanwezigen stil bij “alle onschuldige slachtoffers van conflicten, repressie en staatsgeweld wereldwijd”. Daarmee trok de Coalitie de solidariteitslijn nadrukkelijk breder dan Palestina alleen, met verwijzingen naar landen als Soedan, Congo en Iran. De boodschap: rechtvaardigheid is geen exportproduct, maar een universele eis.
Hind Rajab als symbool
Centraal in de getuigenissen stond het verhaal van Hind Rajab, genoemd als symbool voor de vele kinderen die slachtoffer werden van het geweld. De naam fungeerde niet alleen als rouwpunt, maar ook als morele aanklacht: wie vandaag nog twijfelt aan de urgentie, zou enkel moeten luisteren naar de verhalen die achter zulke namen schuilgaan.
“Censuur” en het stadsbestuur: wrijving die blijft
Naast de internationale context schoof ook de lokale politieke frictie opnieuw naar voren. De actievoerders spraken over een moeizame relatie met het stadsbestuur en een afwijzende houding tegenover hun eisen voor een “ethisch lokaal beleid”. In een interview op het plein getuigde Myriam Van der Borgt, actief bij Hart Boven Hard en PVDA, over haar drang om gebeurtenissen “in woorden” te vatten, en over ervaringen met wat zij als censuur omschreef. Ze vertelde dat bepaalde woorden of thema’s kunnen afgeremd worden wanneer ze publieke teksten brengt. “Dat vind ik bullshit,” zei ze onomwonden, waarna ze het breder trok: “Kunnen we nog poëzie brengen vandaag? Het is niet gemakkelijk meer.” Het plein kreeg zo niet alleen het karakter van protest, maar ook een podium: een plek waar politieke eisen, rouw, kunst en boosheid elkaar omarmen en waar men zich, ondanks alles, blijft uitspreken.
Wekelijks ritueel, groeiende inzet
De maandagactie is intussen een herkenbaar protest geworden. Op een vast uur wordt herdacht, geroepen, gezongen en getuigd. Ook voor toevallige passanten. De inzet blijft dezelfde: druk op het beleid, lokaal én internationaal. Maar de toon wordt harder waar het gevoel groeit dat woorden als “bestand” steeds vaker dienen als decor, niet als bescherming.

